Mijn nachten zijn wisselend. Er zijn nachten waarin ik er redelijk doorheen kom en met redelijk bedoel ik dat ik minstens drie keer wakker word om naar het toilet te gaan en daarnaast nog een paar keer opschrik van een geluid buiten, bij de buren of ergens in huis.
Voor mij is dat inmiddels een goede nacht.
En dan zijn er de slechte nachten.
De nachten waarin ik eindeloos vaak wakker word, meestal omdat ik vastzit in een droom.
Het zijn niet steeds dezelfde dromen en ook de situaties verschillen, maar het gevoel dat erbij hoort is vrijwel altijd hetzelfde.
Ik zit vast en hoe hard ik ook probeer, ik kom er niet uit.
Soms zit ik opgesloten in een ruimte, soms word ik achtervolgd en soms moet ik ergens doorheen terwijl dat maar niet lukt.
Ik zoek een uitweg, maar die lijkt er niet te zijn of ik kan hem gewoon niet vinden.
Ik blijf zoeken en vechten totdat de angst zo groot wordt dat ik wakker schrik.
Jarenlang kende ik die angst niet bewust, of misschien kende ik het wel, maar had ik het zo diep weggestopt dat ik niet meer wist wat ik voelde.
Pas tijdens een EMDR-sessie ontdekte ik hoe groot die angst eigenlijk was.
Het was niet gewoon spanning of onrust, maar pure paniek, alsof mijn lichaam eindelijk liet voelen wat het al die jaren had vastgehouden.
Na zo’n nacht draai ik me niet zomaar weer om en ga weer verder slapen.
Ik weet heus wel dat ik thuis ben en dat de droom voorbij is.
Mijn hoofd weet dat uiteindelijk ook, maar mijn lichaam loopt daar niet altijd in mee.
Dat staat nog steeds op scherp en is niet zomaar te overtuigen dat het gevaar voorbij is.
Dus sta ik op, loop wat rond, ga naar het toilet en scrol soms wat op mijn telefoon.
Niet omdat ik daar behoefte aan heb, maar omdat mijn lichaam blijkbaar eerst moet voelen dat er niets aan de hand is en dat ik veilig ben.
Pas wanneer de spanning langzaam begint te zakken, lukt het soms om weer in slaap te vallen.
Wanneer de wekker gaat, ben ik vaak al moe voordat de dag überhaupt begonnen is.
Er is geen rustig wakker worden, want zodra mijn ogen opengaan, staat mijn hoofd alweer aan.
Ik sta niet lang stil bij hoe de nacht is geweest, het is zoals het is en ik kan er op dat moment toch niets meer aan veranderen.
Na de slechtste nachten duurt het soms wel even voordat ik weer helder ben en het voelt alsof mijn hoofd langzaam moet opstarten maar ondertussen begint de dag gewoon. De hond moet eruit, er moeten boodschappen gedaan worden en het huishouden wacht ook niet totdat ik ben bijgekomen.
Dus sta ik op en doe wat er verwacht wordt door mijzelf, ook al voelt het soms alsof ik al een hele dag achter de rug heb voordat de ochtend überhaupt begonnen is.
En ik ben elke dag moe, intens moe, niet alleen omdat ik te weinig heb geslapen, maar omdat een slechte nacht voor mij niet simpelweg betekent dat ik een paar uur wakker heb gelegen.
Het betekent dat mijn lichaam urenlang opnieuw heeft gevochten, alsof het gevaar weer echt was en ik de hele nacht bezig ben geweest met overleven.
Daar word je niet uitgerust wakker van.
Ik begin de dag dus niet alleen met te weinig slaap, maar ook met een lichaam dat al uren onder hoogspanning heeft gestaan.
Misschien vind ik dat wel een van de moeilijkste dingen aan leven met complexe PTSS.
Mensen zeggen weleens, “Maar het is toch voorbij?”
En ja, de gebeurtenissen zijn voorbij, alleen betekent dat niet automatisch dat alles in mij dat ook begrijpt.
De herinneringen die mijn lichaam heeft opgeslagen, kunnen door de meest uiteenlopende dingen worden geraakt. Een schreeuw, een deur die dichtklapt, stampende buren, een stoel die over de vloer schuift, iemand die voorbij rent of mensen die achter mij lopen.
En dan heb ik het nog niet eens over alle triggers die ik niet kan benoemen, maar waar mijn lichaam en hoofd wel degelijk op reageren.
Mijn gezonde volwassene weet dat het verleden achter me ligt, die weet dat ik niet meer dat kind van toen ben en dat ik nu keuzes heb die ik vroeger niet had.
Maar mijn lichaam reageert soms nog steeds alsof het ieder moment mis kan gaan en ik onmiddellijk iets moet doen. Alsof ontspannen gevaarlijk is en ik altijd voorbereid moet zijn op wat er zou kunnen gebeuren.
Mijn hoofd is veel vergeten of kwijtgeraakt, maar mijn lichaam lijkt dingen te hebben opgeslagen die ik zelf niet altijd meer bewust weet.
De angst, de spanning en die voortdurende alertheid hebben zich jarenlang kunnen vastzetten.
Mijn lichaam heeft zich aangepast aan een leven waarin het nooit echt veilig voelde en ook nu het gevaar allang voorbij is, reageert het soms nog alsof ik midden in die werkelijkheid zit.
Je kunt zo lang leven op een bijna lege batterij dat je vergeet hoe een volle batterij eigenlijk voelt.
Je leert functioneren terwijl je uitgeput bent en doorgaan terwijl alles in je om rust schreeuwt, simpelweg omdat je niet beter weet en omdat het leven ondertussen gewoon doorgaat.
Maar daar betaal je uiteindelijk wel een prijs voor.
Er blijft steeds minder ruimte over om echt te leven, om ergens van te genieten zonder dat je hoofd alweer bezig is met wat hierna komt en om uit te rusten zonder dat er ergens in je lichaam een deel alert blijft.
Soms zou ik gewoon even willen zijn, zonder voortdurend te hoeven reageren op alles wat mijn lichaam denkt te moeten voelen of controleren.
Ik ben moe van jaren van altijd alert zijn, van voortdurend aanpassen en van overleven.
Moe van het dragen van dingen die een kind nooit had mogen dragen en die, ook al ligt die tijd inmiddels achter me, ze hebben nog steeds invloed op hoe mijn dagen lopen.
En toch sta ik iedere ochtend weer op. Niet omdat ik uitgerust ben en ook niet omdat het inmiddels makkelijker is geworden, maar omdat doorgaan eigenlijk altijd mijn manier van overleven is geweest.
De dag begint voor mij niet bij nul.
Ik word wakker met alles wat gisteren ook al in mij zat.
Wil je meer lezen? Schrijf je in en ontvang nieuwe verhalen direct in je mailbox.
E-mailadres
Plaats een reactie