Het klinkt misschien paradoxaal, maar ik mis mijn familie. Ik mis het gevoel ergens bij te horen, onvoorwaardelijk geliefd te zijn en te weten dat er mensen zijn op wie ik altijd kan terugvallen. Mensen bij wie ik thuis ben, zonder dat ik daarvoor iets hoef te doen of te bewijzen. Misschien romantiseer ik het, misschien verlang ik vooral naar wat ik zo graag had willen ervaren en waarvan ik niet weet hoe het werkelijk zou hebben gevoeld. Want de werkelijkheid is helaas anders geweest. Over die werkelijkheid heb ik al veel geschreven.
Toch verdwijnt het verlangen niet zomaar. Je kunt begrijpen waarom bepaalde relaties niet goed voor je zijn, weten dat je afstand nodig hebt en tegelijkertijd verdrietig zijn om wat je daardoor mist. Je kunt een keuze maken waarvan je weet dat die nodig is en toch rouwen om wat je ermee verliest.
Dat is de tegenstrijdigheid waarmee ik worstel. Ik wil mijn familie niet terug zoals het was, maar ik mis wel wat familie voor mij had kunnen betekenen.
Met één van mijn stiefzussen, Mila, heb ik nog enig contact. Dat contact waardeer ik enorm. We spreken elkaar niet vaak en soms zien we elkaar een jaar niet, of zelfs langer. Toch is er, wanneer we elkaar spreken, meer dan alleen oppervlakkigheid. We delen een verleden, herinneringen en een jeugd die we allebei op onze eigen manier hebben meegemaakt. We respecteren elkaar en begrijpen elkaar grotendeels zonder angst. Dat schept een verbondenheid die niet zomaar verdwijnt, ook al is het contact door de jaren heen grotendeels weggevallen.
Met mijn andere stiefzus, Anna, ligt dat anders. Onze band bestaat niet alleen uit gedeelde herinneringen en genegenheid, maar ook uit angst. Een angst die niet zomaar verdwijnt omdat iemand van je houdt of omdat je elkaar na jaren weer probeert te vinden.
Ik heb geprobeerd te onderzoeken of er nog ruimte was voor contact. Niet omdat mijn angst verdwenen was of omdat ik vergeten was wat er vroeger was gebeurd, maar omdat ik haar niet zomaar uit mijn leven wilde laten verdwijnen. Ik wist dat ze mij miste en dat ze graag opnieuw contact wilde. Ik twijfelde er niet aan dat haar gevoelens oprecht waren. En ergens raakte het me ook dat ze mij zo graag terug wilde in haar leven.
Ik wilde voorzichtig kijken of er een manier bestond waarop we contact konden hebben zonder dat ik mezelf opnieuw zou verliezen in de intensiteit van onze relatie. Een bescheiden vorm van contact, waarin we af en toe iets van ons leven met elkaar konden delen, zonder verwachtingen en zonder de druk om de verloren jaren alsnog in te halen.
Maar onderzoeken of contact mogelijk is, betekent niet dat je iemand ook daadwerkelijk dichtbij kunt of wilt laten komen.
Ik merkte dat het contact me steeds meer spanning opleverde. Ik kreeg het benauwd, voelde druk en raakte opnieuw uit balans. Er kwamen gevoelens naar boven die ik niet meer op deze manier wilde ervaren. Pijn, verdriet en angst, maar ook paniekaanvallen. Ik probeerde mijn grenzen aan te geven, uit te leggen wat ik nodig had en duidelijk te maken dat ik niet meer kon en wilde geven dan er voor mij mogelijk was.
Toch bleef ik voelen dat het contact meer van me vroeg dan ik aankon, zij wilde veel meer dan dat ik kon geven. Ik merkte dat ik opnieuw bezig was met uitleggen, afwegen en rekening houden met de gevoelens en verwachtingen van een ander, terwijl ik ondertussen steeds verder bij mezelf vandaan raakte.
En daardoor raakte ik steeds meer uit balans.
Niet alleen van het contact zelf, maar vooral van wat het met mij deed. Van de onrust, de spanning en het gevoel dat ik voortdurend moest opletten. Ik wilde helemaal niet opnieuw in die rol terechtkomen. Ik wilde gewoon op een rustige manier contact kunnen hebben, zonder dat het meteen zoveel van me vroeg.
Uiteindelijk heb ik besloten het contact met Anna te beëindigen.
Dat was geen gemakkelijke beslissing. Ik heb ook goede herinneringen aan haar en ik weet dat ze ook lief kon zijn op haar manier. Ik twijfel er niet aan dat haar intenties goed zijn en dat ze oprecht van mij houdt. Ik geloof dat ze mij mist en dat het haar pijn doet dat ik geen plek meer voor haar kan maken in mijn leven. Wat haar tegenwerkt zonder dat ze dit zelf echt doorheeft of begrijpt (en ik haar niet wil verwijten) is haar mentale ziek zijn, hierdoor heeft ze een enorm dwangmatig en afdwingend karakter wat nooit verzadigd is, zij gaat door totdat ze heeft wat ze wil en daarmee gaat ze dwars over alle grenzen die er zijn. Zij weet feilloos welke woorden raken, precies wat ze moet zeggen om onder je huid te gaan zitten en een reactie te ontlokken. En ik geloof ook oprecht dat ze niet doorheeft dat ze dit doet maar wel echt gelooft in dat ze het goed bedoeld. Dit maakt het heel ingewikkeld.
Maar dat verandert niet wat het contact met mij doet en dat heb ik in het verleden wel vaak daarvoor opzij gezet.
Ik kan ondertussen erkennen dat haar gevoelens oprecht zijn en tegelijkertijd voelen dat ik mij niet veilig genoeg voel om haar dichtbij te laten komen. Ik kan begrijpen dat ze verlangt naar een band met mij en toch weten dat ik die band niet kan bieden. Ik kan medeleven hebben met haar pijn, zonder mezelf opnieuw bloot te stellen aan de pijn die het contact bij mij oproept.
Dat is misschien wel het moeilijkste om te accepteren, dat goede bedoelingen niet altijd voldoende zijn om een relatie goed voor je te laten zijn.
Mijn huis is mijn veilige plek. Het is de plek waar ik zelf bepaal wie er binnenkomt, met wie ik contact heb en wanneer ik me kan terugtrekken. De gedachte dat Anna daar deel van zou uitmaken, riep bij mij zoveel spanning en buikpijn op dat ik wist dat dat er iets moest gebeuren. Ik wil niet dat de plek waar ik tot rust kom, verandert in een omgeving waarin ik opnieuw alert moet zijn.
Maar het gaat niet alleen om mijn huis. Het gaat om mijn leven als geheel. Om de rust die ik probeer op te bouwen, in balans te houden, om mijn eigen grenzen en om Herman en mijn bonusdochter, die ik niet wil blootstellen aan situaties waarvan ik de gevolgen niet kan overzien of beheersen.
Ik wil niet wachten tot er opnieuw iets gebeurt voordat ik mezelf toestemming geef om afstand te nemen.
Ik heb lang geprobeerd rekening te houden met anderen. Ik heb geprobeerd te begrijpen waarom mensen doen wat ze doen, ruimte te maken voor hun pijn en rekening te houden met hun beperkingen. Daarmee vooral mijzelf monddood te maken en de patronen in stand houden die er waren.
Dat (soms ongezonde) vermogen om me in een ander te verplaatsen is er nog steeds. Maar ik begin steeds meer te begrijpen dat begrijpen niet hetzelfde is als toegeven, en dat medeleven niet betekent dat ik mezelf moet blijven blootstellen aan iets wat me beschadigt. Ik mag mijzelf beschermen en mijn mond open doen als iets mij schaadt.
Het contact met Anna heeft me opnieuw laten voelen hoe moeilijk ik het vind om iemand teleur te stellen, pijn te doen. Zeker wanneer diegene van mij houdt, mij mist en graag een plek in mijn leven wil hebben. Dan ontstaat er al snel een gevoel van verantwoordelijkheid. Alsof ik iets moet doen met het verdriet van de ander, alsof ik een oplossing moet vinden waarmee niemand pijn heeft.
Maar die oplossing bestaat niet altijd.
Ik kan haar geen contact geven dat ik zelf niet kan dragen. Ik kan haar niet beloven dat het ooit anders wordt, alleen omdat dat misschien minder verdrietig zou zijn. En ik kan niet blijven zoeken naar de perfecte uitleg waarmee ze mijn keuze begrijpt en accepteert.
Ik moet accepteren dat mijn beslissing haar pijn doet, zonder dat ik daarmee iets verkeerds doe.
Dat maakt het verdriet niet kleiner.
Want naast de angst en de spanning is er ook het gemis. Ik mis niet alleen wat er tussen ons had kunnen zijn, maar ook het idee van een stiefzus bij wie ik terechtkan. Iemand met wie ik herinneringen kan delen, bij wie ik me verbonden voel en bij wie het vanzelfsprekend is dat we deel uitmaken van elkaars leven.
Misschien is dat wat deze beslissing zo pijnlijk maakt. Ik beëindig niet alleen het contact met Anna. Ik moet ook opnieuw onder ogen zien dat de band waar ik ergens naar verlang, niet de band is die wij samen kunnen hebben.
En dat is een verlies waar ik om mag rouwen, ook al ben ik degene die de afstand heeft gekozen.
Want afstand nemen betekent niet dat je niets meer voelt. Het betekent niet dat de goede herinneringen ineens verdwenen zijn of dat je de ander alleen nog maar als iemand uit je verleden ziet. Het betekent soms dat je hebt moeten erkennen wat een relatie je kost en dat je niet langer bereid bent die prijs te betalen.
Ik kan Anna missen zonder haar in mijn leven te willen hebben. Ik kan haar liefde geloven zonder me veilig genoeg te voelen om die liefde dichtbij te laten komen. Ik kan verdriet hebben om de jaren die we zijn kwijtgeraakt zonder te proberen die jaren alsnog in te halen.
En ik kan mijn familie missen, terwijl ik tegelijkertijd weet dat ik niet terug wil naar wat die familie voor mij is geweest.
Dat is de paradox.
Ik mis niet noodzakelijk de mensen zoals ze zijn, maar wel wat ik zo graag bij hen had willen vinden. De geborgenheid, de vanzelfsprekendheid, het gevoel dat je ergens thuishoort en niet voortdurend hoeft na te denken over wat je zegt, hoeveel ruimte je inneemt of wat er gebeurt als je nee zegt.
Misschien heb ik dat vroeger nooit werkelijk gekend. Misschien heb ik het daardoor juist zo lang geprobeerd vast te houden, in de hoop dat het ooit alsnog zou worden wat ik nodig had.
Maar ik kan mijn leven niet blijven inrichten rondom de hoop dat iets wat me pijn heeft gedaan op een dag alsnog de plek wordt waar ik me veilig voel.
Ik moet verder. Niet door te doen alsof mijn verleden niet bestaat, maar door te erkennen dat het niet langer alles mag bepalen. Ook niet de relaties die ik vandaag wel of niet toelaat.
Ik weet niet hoe mijn verhouding met mijn familie er in de toekomst uit zal zien. Wat ik wel weet, is dat ik het contact met Anna nu heb beëindigd en dat ik die beslissing heb genomen omdat ik merkte dat het niet goed voor me was. Niet uit boosheid, niet omdat ik haar alle goede herinneringen ontzeg en ook niet omdat ik denk dat haar gevoelens niet oprecht zijn.
Ik heb deze keuze gemaakt omdat ik mijn rust moet beschermen. Omdat ik niet opnieuw uit balans wil raken en niet langer wil blijven proberen iets werkbaar te maken wat mij steeds meer pijn doet.
En toch blijft het verlangen naar familie bestaan.
Ik wil ergens bij horen. Ik wil geliefd zijn. Ik wil weten dat ik ertoe doe. Ik wil ervaren dat iemand om mij geeft zonder dat ik daarvoor mijn grenzen hoef te verleggen of iets moet teruggeven wat ik niet kan bieden.
Maar ik wil niet meer over mijn grenzen gaan om een band in stand te houden. Ik wil niet meer het gevoel hebben dat ik moet kiezen tussen de ander en mezelf.
Misschien moet ik accepteren dat familie niet altijd de plek kan zijn waar ik de verbondenheid vind waarnaar ik verlang. Dat doet pijn, meer pijn dan ik soms wil toegeven. Want ook wanneer je bewust afstand neemt, blijft er iets achter dat je had willen behouden.
Ik hoef mijn verlangen naar familie niet te ontkennen om afstand te mogen houden. Ik hoef mijn verdriet over wat ik mis niet op te lossen door terug te gaan naar situaties die me opnieuw pijn doen. En ik hoef niet te bewijzen dat iemand slecht is voordat ik mag besluiten dat contact met diegene niet goed voor mij is.
Ik mag goede herinneringen bewaren en toch een grens trekken. Ik mag iemand niets verwijten en toch kiezen voor afstand. Ik mag verdrietig zijn om wat er niet meer is, zonder dat verdriet te gebruiken als reden om terug te gaan.
Want soms is het niet de liefde die ontbreekt.
Soms is het de veiligheid die nodig is om die liefde te kunnen ontvangen.
En soms betekent voor jezelf kiezen dat je iemand van wie je houdt op afstand moet houden, omdat je weet dat je anders opnieuw jezelf verliest.
Dat is geen gemakkelijke keuze. Het is een keuze waar verdriet bij hoort, twijfel en misschien altijd een beetje gemis.
Maar het is wel mijn keuze.
En ik wil leren dat die keuze er mag zijn, ook als een ander deze niet begrijpt.

Geef een reactie