Waar is de grens?
Het moment waarop ik voel dat het op is,
dat ik niet meer verder kan.
Dat ik luister naar het schreeuwen,
terwijl ik station Fluisteren
al tig keer voorbij ben gereden.
Dat absurde, destructieve patroon.
Steeds weer.
En als het niet meer gaat,
doe ik er nog een schep bovenop.
Zo vaak vraag ik mezelf af
waarom ik niet luister.
Ik analyseer en relativeer.
Ik begrijp precies wat ik doe.
Ik weet dat het niet goed is.
En toch doe ik het.
Mijn lichaam heeft geen stem meer
van al dat schreeuwen.
Dus grijpt het maar in.
En zelfs dan
krijg ik het voor elkaar
om er nog tien scheppen bovenop te doen.
Ik weet niet hoe ik anders moet.
Misschien ben ik mijzelf te bewust.
Misschien weet ik te veel
en voel ik te weinig.
Want als ik toegeef
aan wat gezond zou zijn,
aan wat verstandig zou zijn,
voelt het alsof ik toneel speel.
Alsof ik een rol vertolk
die iedereen kent,
behalve ik.
Ik wil niet dramatisch zijn.
Ik wil niet zielig zijn.
Ik durf nauwelijks kwetsbaar te zijn,
omdat ik niet weet hoe.
Niet omdat ik het niet wil.
Maar omdat ik nooit heb geleerd
wat je moet doen
wanneer je jezelf eindelijk toestaat
om niet sterk te zijn.
Ik ken maar één stand.
Doorgaan.
Tot ik erbij neerval.
Zelfs wanneer het huilen
mij nader staat dan het lachen.
En zodra ik weer een beetje lucht voel,
een beetje ruimte,
ga ik opnieuw vol gas.
Alsof stilstaan gevaarlijker is
dan kapotgaan.
Ik ben bang voor wat komen gaat.
Bang dat ik word ingehaald
door alles waar ik steeds voor weg blijf rennen.
Bang dat mijn lichaam ingrijpt,
waar mijn hoofd blijft falen.
Omdat mijn lichaam allang weet
waar de grens ligt,
maar mijn hoofd nog steeds zoekt
naar toestemming
om haar te zien.
De strijd tussen willen en kunnen.

Plaats een reactie